Categorieën
Bezinning Broeder van het Leven

Breek de ban van het tijdelijke

Alle schepselen zijn blind geboren voor het geheel van de schepping waar ze deel van zijn. We zijn een flard, ons leven lang, en geen van ons kan het geheel omvatten of zien. Maar we kunnen iets van dat geheel der dingen wel vermoeden, er een gevoel voor krijgen. Wie dat gevoel of vermoeden heeft gehad, kijkt anders naar de flard die hij is. Als religieus koester ik dat gevoel en zoek ik haar elke dag weer op. Het geeft mijn leven betekenis.

Ik ben een “vrije religieus.” Ik beschouw heel het leven als mijn traditie, je kunt poorten tot het “al” overal vinden. De ijsvogel op een tak boven het water, de zon die op zijn kleuren schijnt en dat ene moment waarop ik dat kleine alles samen zie. Dat kleine alles, zo tijdelijk, zo even, en tóch in hun bestaan, in hun kúnnen bestaan zo veel meer dan dat kleine moment waarop ik er getuige van ben. Water, ijsvogel, tak, zon en ik – alle reiken met wortels door het tijdelijke heen.

De religieuze tradities zijn voor mij pogingen om een poort naar het omvattende totaal zichtbaar te maken. Het zijn expressies van een diep menselijk verlangen naar verbinding met het grote geheel. Als aanhangers menen dat hun poort de enige ‘ware’ is, begint het bloedbad. Stel religies echter aan dat bloedbad niet gelijk. In de vele eeuwen van hun bestaan hebben talloze rijke geesten daarbinnen met taal en teken gebouwd aan poorten tot het “eeuwige”, het “al”, tot “God”. De ene poging werd vaak versterkt door de andere. Ik voel mij aan hun oprecht verlangen verwant en laat mij graag door hun pogingen raken.

Wat een rijke traditie heb ik als “vrije religieus”: ook de wetenschappen, kunst en poëzie uit zo talrijke, verschillende culturen openen voor mij poorten tot het tijdloze. Hier een gedicht van Rabindranath Tagore (1861-1941), de schrijver van het volkslied van India en winnaar van de Nobelprijs van de literatuur (1913). Hoofdstuk 92 uit zijn Gitanjali in eigen vertaling:

“Ik weet dat de dag komt dat mijn zicht op de aarde verloren gaat, en het leven mij in stilte verlaat om voorgoed het gordijn over mijn ogen neer te trekken.

Toch zullen de sterren blijven schitteren in de nacht, de morgens zullen komen als altijd, en uren zullen als golven van de zee plezier en pijn aanspoelen.

Wanneer ik aan dit eind van mijn momenten denk, breekt de ban van het tijdelijke en zie ik in het licht van de dood de wereld met zijn ontelbare schatten. Hoe zeldzaam daartussen de vernederde, hoe zeldzaam de rot.

De dingen die ik vergeefs verlangde en de dingen die ik kreeg – ik laat ze gaan. Laat me de dingen koesteren die ik te min vond of niet zag.”