Categorieën
Bezinning Broeder van het Leven

Een onwillige racist

Als ik de deur bij de kapper in Amsterdam West open doe, deins ik bijna als vanzelf terug. De zaak is klein, nauwelijks groter dan een studio, en binnen zijn wel twaalf mensen, verdeeld over vijf kappersstoelen en een paar krukken tegen de muur. In een oogopslag is duidelijk dat Corona hier niet speelt: slechts één man heeft een mondkapje op. Geen schermen, geen handschoenen. Geen ontsmettingspompje.

Ik heb geen zin om me om te draaien en een nieuwe kapper te zoeken. Deze had de beste reviews in de buurt en na weken uitstel wil ik gewoon geknipt worden: ik geef me over aan de situatie. Ik ben de enige Nederlander, de meesten lijken me uit Marokko te komen – Wacht: fout! Ik besef plots weer waarom ik vanuit voornamelijk blank oost-Nederland naar Amsterdam ben verhuisd: om in het nieuwere Nederland te zijn. Om ermee in het reine te komen dat ons land is veranderd en niet langer bestaat uit kaaskoppen. Om de vloeibaarheid van onze nationale identiteit te ervaren en te kijken of ik daar iets positiefs in kan betekenen.

Naast de kapstok staan twee stoelen, waarvan er nog een vrij is en ik neem plaats. Mijn maag krimpt ineen van het geknipte haar dat overal op de grond ligt en tegelijk ontspan ik door de gemoedelijke sfeer. Argwanend volg ik een kapper bij de afsluitende handelingen na een klant. Hij snuit zijn neus en gaat daarna gewoon verder. Toch maar opstaan en gaan? Dit kan toch niet! Geamuseerd zie ik hoe een jongen van een jaar of 6 wordt geknipt, hij wil niet en zet een huil aan, om na een aai en pets van de kapper in lachen uit te barsten.

Als de puber naast me opstaat om geknipt te worden, schrik ik van de fysieke afkeer die ik voor hem voel. Slungelig, in slordig trainingspak, met grauwbruine huid en een vlassige snor boven vlezige lippen. Een flits van hem naakt terwijl hij opgewonden een meisje benadert maakt me onpasselijk. Wat is dit voor gevoel?! vraag ik me vertwijfeld af. Is dit nu… racisme? Ben ik …. een… racist?

Twintig jaar geleden woonde ik in Den Haag in een wijk waar ik praktisch de enige witte was (ik schreef eerst: “Nederlander”). Toen ik destijds een keer met de trein in Enschede aankwam, stapte ik vanuit mijn multiculturele buurt op eens in een zee van witte, ‘Hollandse’ mensen. Het was alsof ik erin wegsmolt, zo lichamelijk voelbaar was mijn ontspanning. Tegelijk schrok ik me kapot: ik was en ben een gutmensch, koester idealen die het leven voor mij betekenis geven. Ik geloof in een wereld waar mensen met elkaar en de natuur samenleven. Hoe kon ik, wereldburger, me zó ongemakkelijk voelen bij mensen met een andere huidskleur of culture achtergrond en zo op mijn gemak met witte mensen? Ik wil dat niet!

Ik heb mijn onbehagen destijds ingeslikt. Omwille van andere redenen verhuisde ik voor een half jaar naar het buitenland. Maar toen ik terug ging, koos ik bewust steden waar mijn vertrouwde Nederland nog bestond: eerst Den Bosch en daarna Nijmegen. Allebei steden waar minderheden nog minderheden zijn en de witte mensen in de meerderheid. Daar kon ik mijn idealen van diversiteit en wereldsamenleving uitdragen zonder geconfronteerd te worden met mijn eigen, onderhuids racisme. Bekrompen, zeker, maar aan die bekrompenheid wil ik graag wat doen.

Er zijn meer ‘onwillige racisten’ zoals ik. Mensen die met hun idealen voor een inclusieve en diverse samenleving zijn, maar in de praktijk alleen met ‘soortgenoten’ verkeren. Ik schrijf soortgenoten tussen aanhalingstekens, want ik geloof niet in verschillende rassen of vaste soorten van mensen. We zijn allemaal afstammelingen van Afrikaanse kolonisten, die tienduizenden jaren geleden vanuit de savanne de rest van de wereld hebben veroverd. De verschillen tussen mensen zijn oppervlakkig en vloeibaar: geef ze een paar generaties en ze zijn weg. Maar dat proces gaat niet vanzelf.

De kapper wenkt mij, ik ben aan de beurt. Hoewel ik registreer dat hij de boel alleen een beetje aanveegt en zijn handen niet wast, zak ik de zetel in. Als ik hem uitleg hoe ik het wil, kijkt hij me vragend aan. Ik leg het nog een keer uit. Zijn collega met hipster baard komt erbij om het te vertalen. We lachen allemaal wat ongemakkelijk. Ik probeer begrip en vriendelijkheid uit te stralen. Aangenaam verbaasd volg ik de behendigheid waarmee de kapper zijn schaar hanteert. Na een tijdje ben ik klaar: hij heeft me goed geknipt. De betaling kan alleen cash. Zou dit allemaal zwart zijn? vraag ik me af. Als ik buiten sta, zie ik een jongen met een hand vol eurobiljetten de zaak inlopen, vermoedelijk van een van de andere ‘Marokkaanse’ zaken verderop.

Wat leer ik hier eigenlijk? Dat al die ‘Marokkaanse’ zaken zwart werken, het allemaal niet zo nauw nemen met de Nederlandse wet- en regelgeving? Dat de kloof tussen mij en ‘Marokkaanse’ Nederlanders onoverbrugbaar is, want fysiek, instinctmatig? Onzin, natuurlijk. Als ik die avond met een ‘Marokkaans’ Nederlandse buurman thee drink, merk ik hoe vertrouwd hij voelt. Hij heeft, net als ik, gestudeerd. Als ik in een ‘Hollandse’ zaak zou zijn geknipt met dezelfde viezige omstandigheden, andere subculturen of een zwaar getatoeëerde Amsterdammer met plat accent – had ik mogelijk dezelfde schrik, afkeer of ongemakkelijkheid gevoeld.

Ik ben een witte, intellectuele religieus, een idealist en natuurliefhebber. Ik hou van stilte en poëzie, van musea en uitgestrekte, liefs verlaten bossen. Ik hou van zonlicht dat valt op een lege straat. Ik zal me altijd bij sommige mensen op mijn gemak voelen en bij veel anderen niet. Maar ik houd ook van goede manieren. Van vriendelijkheid. Die vriendelijkheid vond ik in deze kapperszaak in Amsterdam West. Ze keken even van me op, dat zag ik, maar ze knipten me goed en betaalbaar. Ze lieten mij in hun waarde. En ik hen. Zo ontstaat samenleving.