Categorie├źn
Bezinning

Liefde in de stad

De liefde is overal, maar als mijn blik gericht is op de kleine doelen van het leven, dan zie ik haar niet. Te doen dingen, te bevredigen behoeften, nog niet afgesloten dialogen, pijntjes hier, daar.

Mijn spirituele beoefening is gericht op het koesteren van die kleine doelen, er niet op neer kijken, ze aanvaarden als onderdeel van mijn leven, maar me tegelijk open te stellen voor het veel grotere web van het leven en de dingen om me heen. Niets van wat bestaat, is vanzelfsprekend, maar we zien het wonder niet. Het wonder dat alles zomaar is en doorgaat. Wie het wonder ziet, ziet de liefde. Zo vergaat het mij althans.

Een van mijn beproefde methoden om het wonder te zien is wandelen zonder doel. Hup, de benen in beweging, de buik los en dan maar zien waar ik terecht kom. Geen idee vooraf welke weg ik neem als het maar goed voelt in het moment en ik wakker blijf voor wat er is.

Ik beland in Utrecht.

De dag is stralend. Ik loop het station uit en volg de baan van de zon op de stoep. Zo slinger ik om de huizen heen, een parkje door, een drukke weg over. Mijn oog valt op een steen, ik kijk omhoog, en plotseling zie ik een gedicht op de gevel geschreven. Verder loop ik, genietend van de oude panden. Als ik iets later mijn hoofd opzij keer, blijf ik als bij toverslag staan. Ik kijk recht een steegje in. Het steegje wenkt me, lijkt het wel. Ik loop het in. Na een nauwe, lange gang kom ik in een monumentaal hofje vol bloemen en grote bomen met in het midden een bank. In de verte spelen kinderen achter een hoog gietijzeren hek. Een jonge vrouw kijkt vanaf het trapje van een statig monument beschermend toe.

Onder onze dagen liggen de eeuwen opgestapeld. Wat is de tijd mooi diep.

Ik dwaal verder en loop langs een onooglijk studentencomplex. Op de ramen van een van de woningen op de begane grond zie ik in fel rood talloze hartjes getekend met daartussen, in stift, hartekreten. “Lieve Floris!” “Lieverd, pikkie, my man, avonturier, verbinder.” ”Dit raam was de ingang naar jouw huis, komen en gaan. Nu kom je hier niet meer. Ik mis je iedere dag.” “Dankjewel lieve Floris voor alles”.

Ik kan mij moeilijk losmaken van de ramen en stap naar de andere kant van de straat om een overzicht te krijgen. Pas nu zie ik hoe achter de ramen de gordijnen dicht zijn geslagen. Dikke, zware gordijnen. Op de stoep onder de ramen staan bloemen en kaarsen. Er ligt een vreemde, aangeraakte stilte om het huis. Het voelt allemaal zo vers. Alsof hij er nog ligt, daar achter die gordijnen. Lieve Floris. Dood.

Verder loop ik. Wanneer ik een hoek omsla, sta ik op eens pal voor een grote, oude muur met fietsen ervoor. Verrukt kijk ik hoe het zonlicht speelt met het rood van de gemetselde stenen. Honderden jaren geschiedenis in lagen baksteen op elkaar. Ik stoor mij niet aan de fietsen. Integendeel: hier komen de tijden bij elkaar.

Op de binnenplaats van het museum erachter – het Catherijneconvent – word ik geraakt door in de zon glinsterende naamplaatjes. Ze hangen aan een boom en wiegen zachtjes aan de kale takken. Het blijken de namen van van overleden dakloze mensen te zijn. De boom is een levensboom, een initiatief van straatpastor Bart van Empel. In een ontroerende video over het project legt hij uit dat voor hen op het kerkhof geen zerk is, daar is gewoon het geld niet voor. Vaak sterven ze met weinig mensen om hen heen, vervreemd van vrienden en familie. Hier aan de boom op de binnenplaats behouden ze hun naam. Wordt er aan hen gedacht. Het zijn er velen, blijkt. Zo veel mensen aan de onderkant van onze samenleving. Onzichtbaar in mijn dagelijks leven of het moet die ene zijn, bij de supermarkt of naast het station.

Wat fijn dat er mensen zijn als Bart. Wat mooi dat er plekken zijn als deze waar er iets van warmte wordt bewaard in de zo losse banden van ons maatschappelijk weefsel. Zonder verdienmodel. Zonder eigen belang. Uit liefde. Liefde die ook zelf een wonder is.