Categorieƫn
Bezinning

Dagopening

Het is zomaar een zaterdag in maart. Een zonnige zaterdag. Ik lig nog in bed en volg via een app een lichaamsmeditatie waar ook aandacht is voor de ruimte rondom mij. De dingen die in mijn kamer staan, verschuiven plotseling van achtergrond naar voorgrond. Ik zie de staande lamp naast mijn bed. Het venster op de lucht buiten. Het tapijt op de vloer. Het beeld van mijn kleine klooster-orde tegen de muur.

Ik word uitgenodigd die dingen te voelen. Hun zwijgende, niet oordelende aanwezigheid die mijn leefruimte is. Wonderlijk genoeg werkt het. Ik voel hoe ik met mijn onderbuik ontspan en mijn lichaam via het bed overgeef aan het betonnen skelet waarop mijn kleine klooster rust. Van daaruit voel ik het enorme gebouw waarin de kamer is vastgeklonken en dat met vijftien verdiepingen op de aarde leunt.

De dag lonkt. Ik douche en loop naar buiten voor een ochtendwandeling. Ik woon midden in de stad, aan een spoor en niet ver van drukke wegen. Hoog boven in mijn klooster hoor ik de geluiden nauwelijks, tenzij ik de ramen open. Nu, hier, wandelend langs een vaart die naast een drukke weg stroomt, stoor ik me er niet aan. Het zijn de geluiden van de stad. Langs de vaart loopt een sierlijk kronkelend pad. Er staan bomen en riet langs het water. Vogels fluiten. Ik hoor een dapper winterkoninkje majesteitelijk zijn territorium verkondigen.

Ik loop het paadje heen en weer. Heen en weer. Dit is mijn ochtendmeditatie: de ogen op de grond, kiezelsteentjes knisperen in mijn oren. Bij elke draai blijf ik even staan. Soms zak ik door de knieĆ«n voor een lichaamsoefening. Ik kijk rond. Van onder de spoorbrug komt met grote klapwieken traag een aalscholver aangevlogen. De zwarte vogel landt op een lantaarnpaal langs de weg. Hij wacht even en spreidt dan zijn vleugels in de zon. Auto’s komen en gaan op het ritme van de stoplichten verderop. Ik wandel mijn meditatiepaadje. De vogel droogt zijn vleugels. In het voorbij zoeven van de auto’s hoor ik de zee.