Categorieën
Bezinning Broeder van het Leven

de eeuwige Dromer

Mystici ervaren een diepe, alomvattende eenheid in het zijn, waarin alles en iedereen is opgenomen: van de kleine mier tot de ontploffende ster. Het is alles met elkaar verbonden in een groot veld van natuurkrachten, ruimte en tijd. Het gebeurt zonder dat we echt kunnen verklaren waarom of kunnen bepalen hoe. Zonder onze bemoeienis gaat alles gewoon door.

Die diepe ervaring van een bestaan vóór, ná en buiten ons vormt de kern van de mystieke ervaring. Je kunt de macht en het raadsel van dat grote zijn voelen – je bent er zelfs onderdeel van – en toch ergens en overrompelend is zij onbereikbaar. Ze is jou en niet jou. Sterker nog: ze is vooral jou als je niet jou bent.

Voor veel mensen zal dit onbegrijpelijk vaag klinken, maar mogelijk wordt het duidelijker aan de hand van een voorbeeld uit mijn persoonlijk leven.

Mijn eerste mystieke ervaring overkwam me in mijn studententijd in Amsterdam. Ik zat er goed doorheen. Een paar van de grote projecten waarmee ik de wereld had willen inspireren tot meer liefde, waren geflopt. De superheld in mij was dood. Verbijsterd zat ik op een bankje aan een Amsterdamse gracht naar het water te staren. Hoe kon dit toch gebeuren? Had ik niet inspiratie gevoeld om de projecten te beginnen? Ze hadden zo juist geleken, alsof er een kracht was die me ze had ingefluisterd, een kracht ook die me gaandeweg hielp. Niet dus. Het verhaal waarin ik jarenlang geleefd had, was stuk. Voorbij. Wie was ik nu nog?

Het bankje waarop ik zat, lag beschut aan de kade van de gracht. Ik moest er vanaf de straat eerst een trappetje voor naar beneden. Daar zat ik in de hoek van de smalle, rustige gracht met aan mijn linkerhand een grote, stenen brug. Het was een doordeweekse dag en er kwam bijna niemand langs. Een auto aan de overkant, af en toe. Een enkele fietser over de brug, met grote snelheid naar beneden roetsjend. Dat was het wel. Geen boten of andere wandelaars. Ik zat daar in mijn eentje op het bankje naar het water van de gracht te staren tussen de monumentale panden en het imposante gewelf van de brug.

Opeens kwam er vanover de gracht, traag maar waardig, een reiger aangevlogen. Met grote vleugelslagen klapwiekte hij aan mij voorbij, de tunnel onder de brug door. In de intieme omhulling van de stad, en de geborgenheid van haar geschiedenis, persoonlijk stuk en zonder voorstelling van toekomst, voelde ik in de langzaam voorbij vliegende, kalme waardigheid van de grote vogel iets van de diepte van het zijn en de tijd. De onherroepelijkheid van de gebeurtenissen, alle voor even weerspiegelingen van de natuurkrachten die alles gaande houden en verder dragen en samen het biljoen aan vormen schiepen dat ooit bestaan heeft. Vergeten vormen nu, voorgoed onkenbaar behalve in hun stervende resten en de echo van hun schermutselingen. De zwakke uitstraling van hun kleuren. De vaart van de grote beweging waarin ze waren opgenomen. Elke vorm is een boodschapper van het biljoen aan vormen dat nog komen gaat.

Ik dacht dat allemaal niet, toen. Ik voelde het. Het was als de inwijding in een groot, publiek geheim. Wie het kent, is nooit, nooit meer eenzaam.