Categorieën
Bezinning Broeder van het Leven Verbinding

Dagsluiting

“God” is liefde hoor je vaak, ik zeg en schrijf het zelf ook wel eens. Liefde is echter een vaag begrip, dus eigenlijk zeg je er niets mee. Tenzij je het verbindt met iets tastbaars, iets echts: een daad bijvoorbeeld, die concreet iets goeds bijdraagt aan de wereld. Of een gebaar of intentie die een verbinding legt tussen mensen die er eerst niet was.

Vloek

Vanochtend vroeg liep ik naar buiten om te mediteren. Meteen toen ik de deur uitstapte, ergerde ik me aan mijn medemensen toen ik volle zakken met vuilnis half uit onze containers zag hangen. Een terugkerend ritueel: de containers zitten aan een kant vol en mensen komen niet op het idee of zijn gewoon te lui naar de andere kant te lopen en de zak daar in te doen. Het gevolg: meeuwen rijten de zakken open en voor je het weet ligt de hele troep op straat.

Ik deed concreet een goede daad door zelf de zakken te verplaatsen, maar het voelde helemaal niet alsof “God” daarbij aanwezig was. Integendeel, mijn actie was zo geladen met ergernis en ongeduld dat ik me innerlijk eerder verwijderde van mijn medemens in plaats van dat ik er een verbinding mee legde.

Pas nu ik er stil bij sta en ruimte geef aan mijn innerlijke strijd, laat ik door mijn begrip weer iets van liefde toe. Een liefde die mijn direct persoonlijke belangen overstijgt en zorg draagt voor het sociale weefsel waarvan ik deel uit maak. Die zorg en aandacht voor dat sociale weefsel noem ik “God”.

Stem

”God” leek ook ver weg toen ik ’s middags naar de andere kant van de stad fietste. Ik had een eerste kennismaking met een nieuwe klant voor de particuliere mantelzorg waar ik mee begonnen ben.

Tijdens de rit stoorde het me dat ik had toegegeven zo ver te fietsen. Ik heb heupklachten en die nemen toe als ik lang moet zitten en niet tussendoor wat kan opstaan. Bij mevrouw thuis belandde ik meteen een uur in een stoel, die ook nog veel te laag was. En de kennismaking was moeizaam: mevrouw wantrouwde wie ik was. Openlijk verdacht ze haar dochter, die erbij zat, van overspel. Af en toe keek ze me met priemende ogen aan, terwijl er een waterval van beschuldigingen door de ruimte kletterde.

Langzaam voelde ik me zwaar worden. Ik viel stil. Weer een kosmische mismatch, dacht ik. Dit was niet mijn plaats. Nee, “God” was hier niet, leek me.

Het boeiende was: ik voelde ook andere signalen. Geef je over, zei een stem in me, je hebt hier iets te leren. Nu ben ik een nuchtere academicus; ik geloof niet in goede geesten of een persoonlijke God die mensen door het leven leidt. Ik geloof wel in liefde en dat ieder mens daarin kan groeien. Die groei gebeurt door te luisteren naar de innerlijke stem bij wie je warmte en verbinding voelt. Daar gebeurt “God”.

Ik besloot de situatie te ondergaan en mijn lijf te laten reageren. Ik voelde dat het me raakte hoe kalm en liefdevol haar dochter onder alle verwijten en beschuldigingen bleef. Mevrouw maakte op eens een grapje. Een léuk grapje. We wisselden wat woorden en voor het eerst kreeg ik de ruimte iets te zeggen. Ik kondigde me aan als haar butler, haar wandelman. In de schermutselingen die volgden, leerde ik dat voor nogal wat zwarte mensen schoenen een symbool van vrijheid zijn, “omdat slaven die vroeger niet mochten dragen.” En veel mensen uit Suriname zetten hun tas niet op de grond omdat ze bang zijn dat er iets slechts in komt.

Toen ik opstond om te gaan, vroeg de dochter mij met mevrouw te poseren voor een foto. Zo kon mevrouw zich mij later herinneren als ik weer voor de stoep stond. Een helder idee. Mevrouw stond op uit haar stoel en op eens bleek de dame die net met luide stem een uur de ruimte had gedomineerd, frêle en niet groter dan een kind. Bij het afscheid in de deuropening dansten we even, voorzichtig.

Ja, ik had lichte hoofdpijn toen ik naar huis fietste en mijn heupen deden zeer. Maar ik ben ergens onderweg op een bankje gaan liggen om te rusten. Er was tijd. Ik keek naar de blauwe lucht en sloot mijn ogen. De zomerzon verwarmde mijn gezicht. Toen ik opkeek, reed een fietser voorbij. Naast een paar bomen en een brug stak een nieuwbouwgevel hoog de lucht in. Boven een antieke boot wapperde een grote opblaasvogel. Wat waren de mensen en de stad mooi. Ik voelde mij er onderdeel van.